Fibricheck feature: An app in a white lab coat (NL)

A T-shirt with sensors that measure your heart rhythm or the condition of your lungs is no longer fiction. Tomorrow's healthcare is digital and prevents it before it has to heal. But what about privacy? And do we want to measure everything?

---

Een T-shirt met sensoren die je hartritme of de toestand van je longen meten, het is geen fictie meer. De gezondheidszorg van morgen is digitaal en voorkomt voor ze moet genezen. Maar wat met de privacy? En willen we wel alles meten?

Van buitenaf oogt het Mercy Virtual Care Center in het Amerikaanse Saint Louis ­zoals een doorsnee-ziekenhuis, maar zodra je er een voet binnenzet, wordt het verschil duidelijk: er staat geen enkel bed, er ligt geen ­enkele ­patiënt. Van de long- of hartfuncties over de ogen tot de nieren, alles wordt vanop afstand onderzocht en in de ­gaten gehouden, zonder de fysieke ­tussenkomst van een arts of verpleger. Alle relevante data worden realtime ­geregistreerd via apps en patches op de huid van de patiënt, waarna ze in het ziekenhuis worden binnengebracht en verzameld. Dankzij hoogtechnologische camera’s en geavanceerde online tools kan elke arts er dagelijks zijn pa­tiënten opvolgen en behandelen, via zes schermen tegelijk.

Het 28.000 vierkante meter grote ­ziekenhuis doet alleen nog dienst als uitvalsbasis voor een groot team van medische specialisten, onder wie zeshonderd artsen. Zij beschikken er over kantoorruimte, vergaderzalen en videoconferentiezalen tjokvol gigantische monitors. Het ziekenhuis behandelt zo duizenden patiënten vanop afstand, ­zowel thuis als op een aantal IC-afdelingen in onder meer Arkansas, Missouri en Oklahoma.

Het Mercy Virtual Care Center, dat 54 miljoen dollar kostte, opende de deuren in 2015. Het mikt vooral op patiënten in rurale gebieden, waar gespecialiseerde gezondheidszorg én artsen vaak schaars zijn. Geavanceerde ­telegenees­kunde kan er niet alleen mensenlevens redden, ze helpt ook flink wat geld te besparen. In een interview op de website Digitalcommerce360.com maakte Randall Moore, de voorzitter van Mercy Virtual, dat concreet: het ­ziekenhuis kon de voorbije ­jaren 90.000 patiëntendagen op intensieve zorg uitsparen – goed voor 50 miljoen dollar.

Massa ongebruikte data

‘We zullen zowel patiënten als artsen moeten over­tuigen. Maar het is ook een generatie­kwestie. Jonge mensen hebben er veel minder problemen mee om alles te meten’

Lars Grieten

Ontwikkelaar Fibricheck

Dichter bij huis pleit Koen Kas al ­jaren voor een andere gezondheidszorg. Kas doceerde ooit moleculaire onco­logie aan de KU Leuven en de UGent, was daarna in de traditionele gezondheidszorg actief en doet sinds kort aan de UGent onderzoek naar het potentieel van digitale gezondheidszorg. ‘Dankzij moderne technologie kan de patiënt vandaag zelf al heel wat gezondheids­data verzamelen en doorsturen naar artsen of ziekenhuizen. Maar de meeste artsen vertrouwen die data nog niet, en dus nemen ze die niet op in het medisch dossier. Zo laten we veel kansen liggen om meer zorg op afstand aan te bieden én om bepaalde aandoeningen in een veel vroeger stadium op het spoor te komen. Het gaat evenzeer over vertrouwen als over technologie.’

Vooral zijn passages bij enkele innovatieve biotechbedrijven openden Kas de ogen. ‘Zowel bij Tibotec (een ­Belgisch bedrijf dat pionierde met hiv-medicatie en vervolgens werd opgekocht door Johnson&Johnson, red.) als bij Galapagos stelde ik vast dat de traditionele farmasector er niet of amper in slaagde om echt maatwerk te leveren.’ Daarom richtte Kas enkele jaren ­geleden Healthskouts op, een bedrijf dat spelers uit diverse sectoren wil helpen om innovatieve digitale technologieën en nieuwe inzichten voor onze ­gezondheidszorg te omarmen en verder te ontwikkelen. Het idee is dat die gezondheidszorg op termijn niet ­zozeer curatief maar vooral preventief moet werken. ‘Het gebrek aan vertrouwen in digitale technologie vloeit vooral voort uit een gebrek aan inzicht en kennis,’ betoogt Kas. ‘We moeten onze artsen dus al tijdens hun opleiding vertrouwd maken met het potentieel.’

‘De komende ­jaren zullen we nog meer te maken krijgen met hartaandoeningen, diabetes of obesitas. We weten dat, maar nu wachten we gewoon tot iemand bij de arts komt aankloppen’

Ilse Weeghmans

Vlaams Patiëntenplatform

Kas pleit er ook voor om medisch gecertifieerde apps – een van de meest zichtbare en toegankelijke vormen van e-health – sneller terug te betalen, zodat ze veel breder kunnen worden voor­geschreven door artsen en sneller hun meerwaarde kunnen bewijzen. Het aantal zogenoemde gezondheidsapps mag dan al ontzettend hoog zijn, ons land telt er nog maar 26 die echt medisch ­gecertifieerd zijn. Amper één daarvan wordt al door het Riziv terugbetaald – in Duitsland zijn er intussen elf goed­gekeurd voor terugbetaling.

Marketing vs. gezondheid

‘De meeste mensen maken tot vandaag nog altijd geen onderscheid tussen een gezondheidsapp en een medische app, en dat is een kwalijke zaak,’ vindt Lars Grieten. ‘Er zijn in dit wereldje nog te veel cowboys die een fancy marketingtool als een echte gezondheidsapp proberen te verkopen.’ Grieten was aanvankelijk als biomedicus aan de slag in een ziekenhuis. Daar stelde hij vast dat hartritmestoornissen vaak moeilijk te monitoren waren. Iemand die zich met klachten aanbood, werd opnieuw naar huis gestuurd met een toestelletje dat het hartritme enkele ­dagen moest opvolgen – terwijl zo’n tijdelijke monitoring vaak niet volstaat voor een betrouwbare diagnose.

Na drie jaar research ontwikkelden Grieten en drie medeonderzoekers een app die je smartphone of smartwatch in een betrouwbaar ­medisch toestel verandert. Fibricheck spoort hartritmestoornissen zoals voorkamerfibrillatie op en kan zo beroertes voorkomen. ‘We meten géén hartslag, maar hartritme. Tot vandaag worden hartritmestoornissen vastgesteld via elektrodes die op het lichaam worden aangebracht en vervolgens de elektrische activiteit van het hart meten. Wij meten niet die elektrische activiteit, maar de pompactie van het hart. Telkens als ons hart pompt, wordt er bloed in het lichaam gestuwd, waardoor de lichtintensiteit op bepaalde plaatsen in het lichaam verandert.’

‘Ook de grote farmabedrijven veranderen stilaan het geweer van schouder. Ze hebben er ook alle belang bij om patiënten sneller en accurater te behandelen’

Koen Kas

Onderzoeker UGent

Grieten maakt zich sterk dat hun technologie op termijn een vierde van alle beroertes kan voorkomen. Jaarlijks worden er wereldwijd 15 miljoen mensen het slachtoffer van. ‘Een aantal van hen wordt op basis van de medische voorgeschiedenis wel degelijk al langer opgevolgd, maar veel mensen beseffen niet dat ze gevaar lopen.’ Om de omvang van die doelgroep enigszins in kaart te brengen, liet Fibricheck drie jaar geleden 65.000 vrijwilligers in ons land een week lang screenen. Er werd hen gevraagd hun hartritme tweemaal daags te meten met de app op hun smartphone. Ruim zevenhonderd van hen bleken een verhoogd risico te lopen, de helft daarvan had geen flauw idee dat ze in de risicogroep zaten. ‘30 procent van de probleemgevallen hadden we al na dag één gevonden, maar de resterende 70 procent haalden we er pas na enkele dagen uit. Het geeft aan hoezeer onze technologie het verschil kan maken tegenover bijvoorbeeld een eenmalig jaarlijks ­bezoek aan de dokter.’

Anticiperen op burn-out

Fibricheck bestaat intussen zeven jaar, telt 25 vaste medewerkers en haalde eind 2020 nog eens 9 miljoen euro nieuw kapitaal op. Na een streng certificeringsproces werd de app zowel in de VS als in Europa officieel als medisch toestel erkend. Intussen maken al een half miljoen Euro­peanen er gebruik van, van wie zowat 25.000 op medisch voorschrift. ‘Het dossier dat we voor de Amerikaanse FDA hadden voorbereid, telde ruim 8.000 pagina’s. Wie vandaag een medische app wil bouwen, wordt even streng geëvalueerd en gecontroleerd als een bedrijf dat een pacemaker op de markt brengt.’

Het Limburgse bedrijf trok in 2017 met zijn technologie de markt op, en ­focuste daarbij in eerste instantie op de artsen. Sinds kort kan de app ook geïntegreerd worden in enkele smartwatches – onder meer de Fitbit – maar Grieten blikt al verder vooruit. ‘De mensen die zo’n smartwatch dragen, zitten doorgaans niet pal in onze doelgroep. Om nog veel meer risicogevallen te ­detecteren, mikken wij vooral op de integratie van onze app in andere ­wearables die we haast permanent zullen dragen en die ook steeds meer sensoren zullen bevatten. Dat kan gaan van brillen tot kledij.’ Die slimme kledij is overigens geen sciencefiction meer: zowel het Franse Hexoskin als het Amerikaanse Nanowear Inc. heeft al shirts op de markt die onder meer hart- en longparameters, en slaap- en bewegingsdata in kaart kunnen brengen.

‘De gezondheidszorg staat aan de vooravond van een ­disruptie zoals in de bank- en autosector. Alleen liet die revolutie in de geneeskunde iets langer op zich wachten’

Piet VerhoeveFlanders.Health

Het team van Koen Kas ontwikkelt intussen op vraag van het hr-bedrijf Mensura een tool die bedrijven moet toelaten tijdig te anticiperen op burn-outs bij hun medewerkers. Het vertrekt daarvoor onder meer van onderzoeks­data van 16.000 geanonimiseerde werknemers. ‘We brachten informatie samen die ons aangeleverd wordt door 300 ­verschillende datapunten. Die data halen we enerzijds uit artsendiagnoses, die dienen als positieve testdata, en ­anderzijds uit bevragingen van werk­nemers. We proberen aan te tonen dat we, door artificiële intelligentie los te ­laten op die data, tijdig gewaarschuwd kunnen worden door factoren zoals jobtevredenheid, werkzekerheid, werkomstandigheden ... Een zelflerend algoritme zou ons kunnen waarschuwen bij een mogelijk gevaarlijke combinatie van bepaalde waarden. Vóór er echt een burn-out optreedt, en er dus al een ­dokter aan te pas moet ­komen.’

Wie ziet de data?

De preventieve geneeskunde mikt hoog: met de nieuwste technologie zo veel mogelijk meten en zo ziektes en aandoeningen almaar ­vaker voorkomen of in een vroeg stadium opsporen. Koen Kas: ‘Op termijn zouden apotheken of slaapcentra bijvoorbeeld sensoren kunnen meegeven aan mensen die zich een eerste keer aanmelden met nog vage rugklachten, waarvoor ze nog niet bij hun huisarts aanklopten. Op basis van die sensordata zouden we hen dan al in een veel vroeger stadium kunnen doorverwijzen naar een specialist en zo erger voorkomen.’

Maar behalve ambities en beloftes roept e-health ook nieuwe vragen op. Hoe ver moeten we dan precies vooruit willen kijken? Dreigen we op termijn niet door te schieten in al dat meten? En wat moet je huisarts met ­data van een app of een sensor die aangeven dat je een verhoogd risico loopt? Hij zal je wellicht meteen een nieuwe test ­laten ondergaan, die een momentopname blijft. Hoe waardevol is die nog in vergelijking met data die over een ­periode van vele ­weken of maanden ­verzameld werden?

‘We zullen zowel de patiënten als de artsen moeten over­tuigen’, erkent Lars Grieten. ‘Maar ik maak me sterk dat dit ook een generatiekwestie is. Jonge mensen hebben er veel minder problemen mee om alles te meten en te registreren dan de oudere generatie, omdat ze weten dat er ook resultaat­gerichte oplossingen uit kunnen voortvloeien. En we monitoren niet zomaar alles bij iedereen. Een toepassing als Fibricheck is bijvoorbeeld vooral zinvol bij 40-plussers, niet bij jongeren. Het is dus aan de overheid en aan de arts om te beslissen voor wie en onder welke voorwaarden bepaalde apps of andere technologische toepassingen echt een meerwaarde kunnen bieden. Tegelijk moeten we de brede bevolking overtuigen van de voor­delen van een meer preventieve gezondheidszorg en van de belangrijke rol die technologie daarin kan spelen.’

Elk bedrijf, ook een beloftevol technologiebedrijf, is er finaal op uit geld te verdienen en heeft er dus belang bij zijn technologie zo massaal mogelijk in de markt te zetten. Wie waakt over de privacy van patiënten/gebruikers? Fibricheck, bijvoorbeeld, stelt alle data met wetenschappelijke waarde anoniem ter beschikking van artsen en onderzoekers, op voorwaarde dat de gebruiker van de app – die te allen tijde eigenaar blijft van zijn data – daarmee instemt. Dankzij al die gecombineerde data kan dan verder wetenschappelijk onderzoek worden uitgevoerd. Lars Grieten: ‘Alleen de huisarts of behandelende arts, die zelf ook een voorschrift heeft afgeleverd voor het gebruik van de app, krijgt ­inzage in de persoonlijke data van de pa­tiënt. Bedrijven die een gezondheidsapp of sensoren in pakweg een smartwatch of in kledingstukken verwerken, krijgen nooit toegang tot welke gegevens dan ook. Wij halen die data zonder hun tussenkomst op en slaan die op in de cloud.’

‘Evengoed moeten we realistisch zijn: vandaag worden we als consument onder meer door de Europese GPDR-wetgeving beschermd, maar die regels zullen mee moeten evolueren met de technologie. In eerste instantie mikte de wetgeving rond de zogenoemde medical devices vooral op hardware, maar in de toekomst zullen de regels ook steeds meer rekening moeten houden met ­allerlei nieuwe softwaretoepassingen.’

De zorg herbekijken

‘Vandaag wachten we vooral af tot iemand ziek wordt’, zegt Ilse Weeghmans, directeur van het Vlaams Patiëntenplatform. ‘Er wordt nog veel te weinig aan preventie en proactief ziektemanagement gedaan. De komende ­jaren zullen we nog meer te maken krijgen met hartaandoeningen, diabetes of obesitas. We weten dat, maar nu wachten we gewoon tot iemand bij de arts komt aankloppen. Het is dus van groot belang dat we ook potentiële ­patiënten veel meer bij hun gezondheid gaan betrekken. Technologie kan daarin een belangrijke rol spelen, maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat ze daarvoor op zeven verschillende platformen moeten inloggen. Elke patiënt is anders, maar de levenskwaliteit moet altijd primeren. Willen ­patiënten liever niet weten van zo’n constante monitoring, dan moeten we daar respect voor hebben. Het zal er vooral op aankomen een goed evenwicht te vinden tussen de rol van technologie en het belang van de patiënt.’

Telemonitoring en een betere data-inzameling kunnen voor Weeghmans een belangrijke rol spelen, maar ze pleit ook voor een bredere benadering. ‘We moeten een volledig nieuw ecosysteem voor onze gezondheidszorg bouwen. Meer meten is daar zeker een deel van, maar ook de overheid moet haar rol opnemen. Welke apps zijn ­betrouwbaar, hoe zit het met het juridische kader, waar centraliseren we alle data per pa­tiënt? We zullen onze pa­tiënten deels moeten heropvoeden én het financieringsmodel van onze zorg moeten herbekijken. Vandaag betalen we artsen per consultatie. Als we meer gaan inzetten op een soort chronische monitoring, is dat niet langer houdbaar.’

Tot vandaag is er in ons land nog maar één medische app die van het Riziv groen licht kreeg voor terugbetaling, en dan nog uitsluitend in het kader van een medische studie. MoveUp ondersteunt patiënten en zorgverleners met heup- of knieprothesen met gepersonaliseerde coaching en oefeningen voor en na de operatie. Enkele ziekenfondsen betalen intussen al op eigen houtje ­enkele andere apps terug die inzetten op preventie of die een snelle revalidatie kunnen bevorderen. Voor Fibricheck sleept de erkenningsprocedure bij het Riziv nog altijd aan, ondanks het Europese keurings­label. Daardoor betalen patiënten die de app nu al op doktersvoorschrift gebruiken, de behandeling vooralsnog uit eigen zak. Voor een volledig jaar loopt de rekening op tot 120 euro. In ruil daarvoor deelt het bedrijf alle data met de betrokken arts en controleren de eigen experts ook ­alle onregel­matige metingen. Artsen moeten de data dus niet zelf analyseren.

Big pharma

Meten is weten, maar in hoeverre kan de precieze medische impact van al die monitoring, vroegtijdige detectie en ­preventie worden vastgesteld? En welke besparingen staan daar dan tegenover, bijvoorbeeld voor de ziekteverzekering?

Koen Kas waarschuwt voor een al te kunstmatige opdeling tussen de klassieke, curatieve big pharma en de nieuwe technologiespelers. ‘Ook de grote farmabedrijven veranderen stilaan het geweer van schouder. Ze hebben het almaar vaker over diagnosticeren, omdat zij er ook alle belang bij hebben om patiënten sneller en accurater te behandelen. Het laaghangend fruit is veelal geplukt, die bedrijven beseffen dat ze hun centen binnenkort deels anders zullen moeten verdienen. Daarom kopen grote farmabedrijven ook steeds vaker beloftevolle start-ups op.’

Een mooi voorbeeld is Virta Health. Het van oorsprong Finse bedrijf bestaat amper zeven jaar, maar haalde in die tijd al ruim 200 miljoen dollar kapitaal op. Het ontwikkelde een preventieve behandeling voor diabetespatiënten, waarbij die in een vroeg stadium van de ziekte intens gecoacht worden om hun levensstijl aan te passen. Daarbij worden allerlei technologische hulpmiddelen ingezet. ‘Als je weet dat in de VS ­alleen al zowat 10 procent van de volwassen bevolking aan diabetes lijdt, is de potentiële waarde wel duidelijk,’ geeft Kas aan. ‘Bijna elk groot farmabedrijf met een diabetesprogramma heeft de voorbije twee jaar wel een start-up gekocht die technologie ontwikkelt om patiënten te helpen bij een meer preventieve aanpak. Die trend zet zich almaar sneller door in de behandeling van andere chronische aandoeningen, gaande van apneu tot chronisch hartfalen.’

Farmabedrijven beseffen dus dat ze er al moeten bij zijn wanneer een bepaalde aandoening nog veel beter behandelbaar is. Koen Kas: ‘Als een bedrijf vele miljarden investeert in de ontwikkeling van een nieuw geneesmiddel om pakweg dikkedarmkanker te behandelen, mikt het natuurlijk op een zo hoog mogelijke effectiviteit. Blijkt zo’n nieuw middel maar in 10 of 20 procent van de gevallen effectief te zijn, dan is de kans dat de overheid die medicatie ooit terugbetaalt, bijzonder klein. Helemaal anders wordt het als je de meerderheid van de dikkedarmkankers al twee jaar eerder kan detecteren. In dat geval kan je met datzelfde nieuwe geneesmiddel misschien nog 80 procent van de patiënten succesvol behandelen en spaart de overheid gigantisch veel geld uit.’

Vlaanderen

Ook de Vlaamse regering zet intussen in op de digitalisering in de gezondheidszorg. Na enkele jaren onderzoek zal Vlaams minister van Economie Hilde Crevits (CD&V) wellicht nog dit voorjaar het licht op groen zetten voor een nieuwe Vlaamse speerpuntcluster slimme gezondheidszorg. Zowel de Vlaamse overheid als de bedrijven zullen daarin jaarlijks enkele tientallen miljoenen ­euro’s investeren, gespreid over een ­periode van vermoedelijk tien jaar. ­‘Binnen die sectoren kennen de bedrijven elkaar door en door, maar dankzij zo’n cluster kunnen ze ook over de sectorgrenzen heen beloftevolle samen­werkingen aangaan’, zegt Piet Verhoeve, business developer bij Flanders.Health. ‘Voor kleine start-ups is zo’n cluster dan weer ideaal om op korte termijn een veel groter netwerk uit te bouwen. De coronapandemie heeft ook aangetoond dat er nood is aan meer samenwerking tussen de industrie en de gezondheidszorg. Vaak hebben medische specialisten niet voldoende zicht op de meerwaarde van nieuwe technologie. Nochtans zijn we in Vlaanderen zowel in de elektronica als in de biotechnologie ­wereldtop – denk aan gereputeerde instellingen als het VIB (Vlaams Instituut voor de Biotechnologie, red.) of het onderzoekscentrum Imec.’

Volgens Verhoeve staat de gezondheidszorg aan de vooravond van een ­disruptie die vergelijkbaar is met wat de bank- of autosector al enkele jaren doormaakt. ‘Nieuwe technologiespelers zullen het bestaande businessmodel en de verhoudingen binnen de sector uitdagen. Alleen liet die revolutie iets langer op zich wachten, omdat het in de geneeskunde nu eenmaal jaren duurt om een nieuwe technologie klinisch te ­testen en naar de markt te brengen.’ 

 

Source: https://www.standaard.be/cnt/dmf20210408_96372994?adh_i=&imai=&articlehash=68A02CFBAA50F9E11957278019BB832405AB75784267220A521A6C33B3E80CD046C3E49DFC2614FC88010B634CE6B17EE394AAF29482564CE871338CBECE1D1D

Other news